Gisteren was ik bij een bijeenkomst georganiseerd door Bladwijzer waar onder meer Yuri Janson van Abonnementenland sprak over de nieuwe wet met betrekking tot het verlengen van abonnementen. Het bleek een onderwerp dat tot veel discussie en veel vragen aanleiding gaf. Wat gaat er gebeuren? Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat je na een jaarabonnement niet meer automatisch voor een jaar verlengd, maar dat de consument, afhankelijk van de verschijningsfrequentie van het blad, een opzegtermijn heeft van 1 of 3 maanden. Zegt een abonnee dus niet op na een jaarabonnement dat kun je met 1 of 3 maanden verlengen (stilzwijgend). Een andere optie is is om al je abonnees steeds voor dat de eerste periode van een jaar afloopt een schrijven te doen toekomen waarin je hen een voorstel doet om een vernieuwde (dus niet verlenging!) abonnementsperiode van 1 jaar aan te gaan.
De mogelijkheid tot opzeggen (met termijnen van 1 maand of drie maanden) kunnen dus ook leiden tot kwartaal (of maand) abonnementen. Voor zowel de uitgever als de consument een verzwaring in administratief opzicht. Bij tijdschriften die minder dan 12x per jaar uitkomen is de opzegtermijn drie maanden. Laten we als voorbeeld InCT nemen: indien een abonnee niet opzegt voor het eind van een kalenderjaar en wij geen nieuw jaarcontract aangaan, dan zouden wij dus wettelijk de abonnee voor de komende drie maanden een factuur mogen sturen. Met de verschijningsfrequentie zoals we die nu met InCT hebben betekent dat dat de abonnee twee nummers krijgt (terwijl wij 1/4 van de abonnementsprijs, wellicht met een lichte verhoging voor kwartaalabonnementen, in rekening brengen). In het tweede kwartaal verschijnen we slechts 1x, wat moeten we dan factureren aan de abonnees die niet hebben opgezegd? Al met al een administratieve rompslomp en ook voor de klant (die door deze wet juist beschermd dient te worden) een mogelijk nadelige situatie.
Ik begrijp goed waarom er een wet moet komen die de rechten van de klant beter regelt bij abonnementen (deze wet gaat ook over sportclubs, telefoonabonnementen e.d.), maar of de wet in de huidige vorm dat bereikt is maar zeer de vraag. Voor uitgevers betekent het onzekerheid en moeilijkheden om de financiele stroom voor een jaar goed te voorspellen.
Natuurlijk schept het ook kansen (het glas kan ook halfvol zijn): ieder jaar je klanten actief vragen om eennieuw contract aan te gaan maakt de band sterker en het geeft de uitgever ook de opdracht zo'n goed blad te maken dat zijn klanten willen blijven. Allemaal waar en ik zou ik willen pleiten om van de nood een deugd te maken en vooral te focussen op kansen, maar het feit blijft dat hoe je het ook wendt of keert, er ook grote nadelen aanzitten voor uitgevers en dat de administratieve druk alleen maar toeneemt. Van een regering die met de mond innovatie-stimulering belijdt, is dit wederom (zie de regelgeving over btw tarief) een voorbeeld van beleid dat zichzelf in de voet schiet.
Het NUV deelt de mening van de heer Huijzer dat de regeling tamelijk complex is. De juiste interpretatie kan lastig zijn. Daarom nog even de korte samenvatting: het wetsvoorstel luidt nu: stilzwijgend verlengen mag helemaal niet meer, met uitzondering van abonnementen op kranten en tijdschriften: die mogen met maximaal 3 maanden stilzwijgend worden verlengd. De opzegtermijn wordt maximaal 1 maand, met uitzondering van abonnementen voor onbepaalde tijd op laagfrequente tijdschriften: daarvoor mag de opzegtermijn maximaal 3 maanden zijn.
De wetswijziging betreft overigens regels die gelden voor de algemene voorwaarden in overeenkomsten met consumenten. Vakuitgevers zullen dan ook minder worden beperkt dan uitgevers van publiekstijdschriften of dagbladen. De wet gaat niet over telefoonabonnementen, die regels staan in de Telecomwet.
NUV-leden die de ontwikkelingen van het wetsvoorstel op de voet willen volgen kunnen terecht op www.nuv.nl, dossier Abonnementen.
Geplaatst door: Miranda Maasman | 21 september 2009 om 14:40